Tijd voor fictie.

Lydia is gelukkig. Ze loopt door het zand en haar vriendje vindt haar lief. Ze zucht eens. Kijkt uit over de duinen en vergeet, van alle mensen om haar heen. Niets meer van de geluiden van stille wanhoop en luide ellende. Alleen zij en de gedachten aan haar vriendje. Joseph is stoer en belangrijk en hij is haar vriendje. Hij heeft heel goede ideeën en dat is goed. Vanavond ziet ze hem weer maar nu moet ze aan het werk.

Buiten is het donker. Voor de deur haalt Lydia nog even een borstel door haar haar. Binnen is het lawaaiig en het stinkt. Binnen is haar vriendje. Vriendjes zijn er om te kussen en de jongens joelen. Als iedereen gaat martelen doet Lydia mee. Ze zwaait met een stok en is stoer. Haar vriendje kust haar nog een keer en maakt een mooie foto.

‘s Avonds gaat ze naar huis en hangt de foto boven haar bed. Die nacht droomt ze van haar vriendje, luide kreten en pijn. Ze snapt het niet.

Okay. Soldaten uitsturen met een IQ van 90 kan ik me voorstellen, want zij luisteren naar wat je willen. Maar waarom zijn er in vredesnaam nog geen hogere koppen gaan rollen? Op het moment dat zulke halfgaren worden ingezet om met gevangenen om te gaan dan mag je de verantwoordelijke superieuren wel een een tienvoudige straf geven.

Advertisements